A:

Amendement: Een amendement is een voorstel tot wijziging van een wet of een ander officieel document. Dit gebeurt vaak door een lid van de Tweede Kamer.

B:

Burgemeester: Baas van de gemeente. Iemand die voorzitter is van het college van burgemeester en wethouders, en voorzitter is van de gemeenteraad.
Bestuur: De dagelijkse leiding van bijvoorbeeld de gemeente.
Bestuurt: Het leiden van een organisatie
Burgerinitiatief: De mogelijkheid voor burgers om onderwerpen op de agenda van de Tweede kamer of de gemeenteraad te zetten.
Burgers: Een burger is iemand die lid is van de bevolking van een land.

C:

Commissaris van de Koning: De voorzitter van de Gedeputeerde Staten is de commissaris van de Koning. De commissaris van de Koning is net zoiets als de burgemeester. Alleen hoort de burgemeester bij een gemeente en de commissaris van de Koning bij de provincie. De commissaris van de Koning wordt benoemd door de regering, voor 6 jaar.
College van burgemeester en wethouders: Het college van burgemeester en wethouders bestuurt de gemeente.

Coalitie: Als twee of meer politieke partijen samenwerken om te regeren, wordt dat een coalitie genoemd.

D:

Debat: Een debat is een gesprek waarbij het de bedoeling is om jouw mening te verdedigen. Een debat in de Tweede Kamer wordt voorgezeten door de Kamervoorzitter. Als eerste komen de woordvoerders van de politieke partijen aan het woord.
Democratie: Een democratie is een politiek systeem waarbij de inwoners beslissen over wetten. In Nederland gebeurt dat doordat burgers kunnen stemmen op politieke partijen.

E:

Eerste kamer: De Eerste kamer vormt samen met de Tweede kamer het parlement. De Eerste kamer moet goedkeuring geven voor wetten die de Tweede kamer al heeft goedgekeurd. De Eerste kamen heeft het recht om deze wetten terug te sturen naar de Tweede kamer om de wetten opnieuw te laten bekijken. De Eerste kamer wordt gekozen door de Provinciale Staten.
Economie: Economie gaat over alles wat te maken heeft met geld verdienen en geld uitgeven.
Europees Parlement: Het Europees Parlement is een beetje zoals de Tweede kamer. En als je gaat stemmen voor de Europese verkiezingen, dan stem je voor het Europees Parlement. Het Europees Parlement is wel wat groter dan de Tweede kamer. Er zijn 751 zetels in het Europees Parlement. Nederland heeft in het Europese Parlement 29 zetels.
Europese Unie: De Europese Unie (EU) is een economische en politieke samenwerking van de 28 Europese landen. Deze landen hebben de EU bevoegdheden gegeven om gemeenschappelijk Europees beleid te voeren.

F:

Financiën: Geldzaken. Het ministerie van Financiën gaat over het geld wat de overheid heeft.

G:

Gedeputeerde Staten: Het bestuur van een provincie heet de Gedeputeerde Staten.
Grondwet: De belangrijkste Nederlandse wet is de grondwet. In de Grondwet zijn de belangrijkste rechten en plichten van de burgers vastgesteld. In de Grondwet zijn ook de rechten en plichten van de Koning, regering en het parlement geregeld.
Gemeente: Een gemeente is een groep van dorpen en steden die samen worden bestuurd door de gemeenteraad.
Gemeenteraad: De leden van de gemeenteraad vertegenwoordigen de inwoners van een gemeente. Gemeenteraadsleden luisteren goed naar wat er speelt in hun gemeente en wat de inwoners willen. Vervolgens maken ze plannen voor de gemeente en haar bewoners. Daar hoort ook bij dat gemeenteraadsleden bepalen waar het geld naar toe gaat. Vervolgens controleren ze of hun plannen goed worden uitgevoerd door het college van burgemeester en wethouders.

I:

Internationaal: Als iemand het heeft over internationaal dat worden verschillende landen bedoeld.

J:

Justitie: Justitie gaat over alles dat gaat over veiligheid. Meestal worden hier Rechters, het openbaar ministerie of het ministerie van Justitie mee bedoeld. Het ministerie van Justitie gaat dus over alles dat met veiligheid te maken heeft.

K:

Kabinet: Het kabinet zijn de ministerraad en de staatssecretarissen bij elkaar.
Kamervoorzitter: De Kamervoorzitter zorgt ervoor dat de debatten in de Tweede kamer volgens de wet verlopen.
Kieswet: De kieswet is een wet waarin alles rondom de verkiezingen geregeld wordt.
Koning: Nederland heeft een Koning. Nu is dat Koning Willem-Alexander. In het Nederlands systeem is de macht van de Koning nogal klein. De ministers en het parlement hebben veel meer te zeggen. De Koning vertegenwoordigt ons land in het buitenland.

L:

Lijsttrekker: De lijsttrekker is de eerste persoon op de kandidatenlijst van een politieke partij bij verkiezingen. De lijsttrekker is ook de leider van een politieke partij.

M:

Ministerie: Een ministerie is een deel van de overheid. Elk ministerie gaat over een stukje van Nederland. Je hebt bijvoorbeeld een ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en een ministerie van Financiën.
Ministers: Een minister is een persoon die deelneemt aan de regering van een land, en die over het algemeen ook leiding geeft aan een ministerie. De partijen die gaan regeren kiezen samen de ministers uit. Een minister is verantwoordelijk voor een stukje van het bestuur.
Ministerraad: Alle ministers bij elkaar wordt de ministerraad genoemd.
Meerderheid: In de Tweede Kamer is er een meerderheid als meer dan de helft van de leden van de Tweede Kamer voor een Wet stemmen. Wetten mogen niet officieel worden als er geen meerderheid is.
Monarchie: Een monarchie is een politiek systeem waarbij de macht slechts bij één persoon ligt.

N:

Nederlandse Nationaliteit: Als iemand de Nederlandse Nationaliteit heeft betekend dat dat iemand officieel bij Nederland hoort. Hij heeft dan ook een Nederlands paspoort.
Nationaal: Als het gaat over een land noem je iets nationaal.

P:

Parlement: Het parlement is de Eerste kamer en de Tweede kamen samen.
Politieke partij: Een politieke partij is een groep mensen die dezelfde meningen hebben. Deze mensen proberen hun mening te laten horen in de politiek.
Politiek systeem: Een systeem dat regelt hoe een land bestuurd wordt.
Politicus: Iemand die een beroep heeft in de politiek
Provincie: Een provincie is een stukje van een land met een eigen kleine regering. De provincies vormen de bestuurslaag tussen het rijk en de gemeenten. Ze doen het werk waarvoor het rijk ‘te groot’ en de gemeente ‘te klein is.

R:

Regering: De regering bestaat uit de ministerraad, de minister-president en de Koning.

S:

Staatssecretarissen: een staatssecretaris is iemand die de minister ondersteunt in zijn werk.

T:

Tweede kamer: In de Tweede Kamer zitten politici van verschillende politieke partijen. Zij worden door het volk verkozen en daarom ook volksvertegenwoordigers genoemd. Deze volksvertegenwoordigers beslissen over onderwerpen zoals zorg, onderwijs en veiligheid.
Torentje: Het Torentje is het kantoor van de minister-president.

V:

Verkiezingen: Bij verkiezingen kiezen de mensen van een land wie hun gaat besturen. Ze kiezen voor een politieke partij en een politicus van die partij. In Nederland zijn er vijf verkiezingen
1. Tweede Kamer verkiezingen
2. Provinciale staten verkiezingen
3. Gemeenteraadsverkiezingen
4. Waterschapsverkiezingen
5. Europese verkiezingen
Veiligheid:Veiligheid is er als mensen in een land zich veilig voelen om over straat te gaan. Als er weinig gevaar is.
Volksvertegenwoordiger: Een volksvertegenwoordiging is een groep mensen die het volk vertegenwoordigt. Deze mensen doen hun werk in naam van het volk.

W:

Wet: Wetten zijn geschreven rechtsregels. Er zijn in Nederland een heleboel wetten. Deze Wetten zorgen ervoor dat iedereen zich aan bepaalde regels moet houden.

Z:

Zetel: Een zetel is eigenlijk gewoon een stoel in de Tweede kamer.

instagram video download